Eigen aardigheden

Op ontdekkingsreis


Den 23. Augusti is inden Ram andermael d’ongheluck ghecomen over den Constabel Houtepen, door qualijk toesien dat hy een Stuck afschietende ende weder ladende niet wel wt en wisten, sulcx dat hy om zijn leven comen is.

De eerste ontdekkingsreizen naar Oost-Indië
In 1601 vertrok een vloot van drie schepen, genaamd “De Ram”, “Het Schaap” en “Het Lam” onder leiding van Joris van Spilbergen vanuit Veere naar het toenmalige Oost-Indië. Het was de derde reis die vanuit de Nederlanden via Kaap de Goede Hoop werd ondernomen om grip te krijgen op de lucratieve specerijenhandel, die vanwege de oorlog met Spanje was komen stil te liggen. De eerste reis had namelijk plaatsgevonden onder leiding van de gebroeders Cornelis en Frederik de Houtman, die in 1595 vanuit Holland waren vertrokken en op 14 augustus 1597 terugkeerden, waarna zij op 25 maart 1598 wederom naar Oost-Indië vertrokken, ditmaal vanuit Middelburg.

knipsel_voc_1.jpg


Op zoek naar de beste handelsroute
De handel in Oosterse goederen was aanvankelijk een monopolie van de Portugezen, die al honderd jaar lang handel dreven met allerlei landen rond de Indische oceaan en daar ook diverse handelsposten hadden ingericht. Na aankomst in Portugal werden de specerijen vervolgens doorverhandeld via onder andere Antwerpen. Sinds 1580 maakten de Spanjaarden echter de dienst uit in Portugal en was de belangrijkste doorvoerhaven voor specerijen in de Nederlanden, Antwerpen, in 1585 in Spaanse handen gevallen en sedertdien geblokkeerd. De Nederlanders waren daarom genoodzaakt zelf een route naar Indië te zoeken.

Jan Huygen van Linschoten
In 1583 kreeg Jan Huygen van Linschoten als klerk van de Portugese aartsbisschop van Goa de kans om naar Indië te reizen. Toen hij in 1592 terugkeerde in Enkhuizen schreef hij twee boeken: één over de route die men moest volgen om in Oost-Indië te komen en één over alle producten die er te krijgen waren. Van het eerste boek, genaamd ITINERARIO, Voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naar Oost ofte Portugaels Indien, verscheen in 1596 in Amsterdam de eerste druk. Van Linschoten was overigens ook als opvarende betrokken bij twee pogingen in 1593 en 1594 om via het noorden een doorgang te vinden naar Indië, maar deze strandden in het ijs bij Nova Zembla. Het Zeeuwse handelshuis De Moucheron financierde niet alleen deze reizen, maar ook de reis van Joris van Spilbergen.

knipsel_voc_2.jpg

Titelblad van ITINERARIO


De reis van Joris van Spilbergen (1601-1604)
Een van de stuurlieden van deze vloot, genaamd Cornelis Jansz Vennip, die net als Jan Huygen van Linschoten burger van Enkhuizen was, heeft van deze reis een verslag gemaakt vanaf het vertrek van de vloot uit Veere op 5 mei 1601 tot aan zijn overlijden op 15 juni 1603, waarna een onbekende schrijver het verslag heeft afgemaakt tot aan de terugkeer van de vloot in Vlissingen op 24 maart 1604. De eerste druk van dit journaal verscheen in 1604 te Delft bij Floris Balthasar, waarna er in 1605 nog twee afwijkende uitgaven verschenen en voorts nog een tweede druk, die allen voorzien waren van kaarten en afbeeldingen.

Het reisverslag draagt als titel “T’HISTORIAEL JOURNAEL, VAN TGENE GHEPASSEERT IS VAN WEGHEN DRY SCHEPEN, GHENAEMT DEN RAM, SCHAEP ENDE HET LAM, GHEVAREN WT ZEELANDT VANDER STADT CAMP-VERE NAAR D’OOST-INDIËN, ONDER T’BELEYT VAN JORIS VAN SPILBERGHEN, GENERAEL ANNO 1601”.

knipsel_voc_3.jpg

Voorblad van 't Historiael Journael


In 1933 werd dit reisverslag in opdracht van De Linschoten-vereeniging opnieuw uitgegeven onder de titel “De reis van Joris van Spilbergen naar Ceylon, Atjeh en Bantam 1601-1604”, welke vereniging zich ten doel had gesteld “de uitgave in het oorspronkelijke, van zeldzame of onuitgegeven Nederlandsche zee- en landreizen en landbeschrijvingen”.

Het reisverslag
In het verslag wordt beschreven dat de vloot op 5 mei “in Godts namen” vanuit Veere is vertrokken. Op het jacht De Ram had vice-admiraal Guyon Lefort het commando, die ook de vorige twee reizen naar Oost-Indië had meegemaakt, het Schaap was het Admiraalsschip met Joris van Spilbergen als generaal en Pieter Cornelisz als kapitein, terwijl op de jacht Het Lam schipper Willem Jansz het commando voerde.

Van 10 tot 15 mei hebben zij echter in de haven van Dartmouth een van de schepen moeten repareren omdat deze lek bleek te zijn, waardoor veel brood nat was geworden en overboord is gezet. Op 29 mei waren ze al bij Madeira en twee dagen later bij Palma. Op 11 juni wisselden ze schoten met een paar Portugese schepen, toen zij de haven van Puorto Dale wilden binnenlopen. Gelukkig waren er maar drie of vier gewonden, terwijl er twee of drie Portugezen zijn gedood en een aantal verwond. Ook werd er een Portugees schip buit gemaakt, maar een paar dagen later weer teruggegeven toen de Portugezen “hunne eyghen faulte ende schult” bekenden. Een week later vertrokken ze weer, nadat zij hun schepen weer hadden “gecallefaet ende van alle nootlijcke reparatien ten besten versien”, dus hadden opgekalefaterd en gerepareerd.

Na het vertrek van de Kaapverdische eilanden kwamen zij op 26 juli aan op Annabon, waar zij op 30 augustus vertrokken, om vervolgens op 15 november de Tafelbaai te bereiken. Op 1 januari vertrokken zij weer en kwamen op 1 februari op Sofola aan, waar zij drie dagen bleven. Op 17 februari bereikten zij de Comoren, waarvandaan zij op 12 april afzeilden. Op 30 mei werd Ceylon bereikt, waar zij tot 3 september bleven. Atjeh en omgeving deden zij aan van 16 september tot 3 april 1603. Bantam bereikten zij uiteindelijk op 27 april.

Na flink gehandeld te hebben vertrok de vloot op 28 augustus 1603 vanuit Bantam met 5500 zakken peper, 200 zakken noten, verschillende soorten stenen, ambregrijs, kaneel, zijde, porcelein, foelie en indigo. Op 8 november rondden zij Kaap de Goede Hoop, kwamen op 26 november op St. Helena en zijn daar een maand gebleven om zich te verversen. Daar kwamen ze ook het schip De Jager tegen dat zo lek was geraakt, dat zij vier maanden op St. Helena moesten blijven om het schip te repareren. Op 29 december vertrokken zij weer met “Godt lof” (God zij dank) bokken en varkens aan boord en bereikten op 14 januari de “linie Equinoctiael”, de evenaar. Uiteindelijk bereikten zij op 24 maart 1605 Vlissingen, waar zij voor anker gingen “danckende Godt voor zijn ghenade en merckelicke bewaringhe”.

Dodelijk ongeluk door een ontploffend kanon
Het reisverslag is zeer interessant en speciaal om datgene wat op pagina 52 beschreven, namelijk wat er op 23 augustus 1602 voor de kust van Ceylon gebeurde:

Den 23. Augusti is inden Ram andermael d’ongheluck ghecomen over den Constabel Houtepen, door qualijk toesien dat hy een Stuck afschietende ende weder ladende niet wel wt en wisten, sulcx dat hy om zijn leven comen is.

De hertaling hiervan is:
Op 23 augustus gebeurde er weer een ongeluk op de Ram met de kanonnier Houtepen en wel door grote onoplettendheid, aangezien hij een kanon afvuurde en herlaadde zonder het goed uit te wissen, ten gevolge waarvan hij om het leven gekomen is.

Op 6 juli was er namelijk ook al een ongeluk gebeurd, waarbij een constabel om het leven was gekomen: “Den Ram comende ten ancker by den Admirael, zijnder ter eeren van de Agienten des Conincx eenige schoten geschoten, den Constabel schietende meer als hem belast was, is doort overladen van een stuck dat bersten ghequetst, daer hy van storf”.
Toen de Ram bij het schip van de generaal voor anker ging en er ter ere van de aanwezigheid van de medewerkers van de koning van Candy saluutschoten werden gelost, werd een constabel zodanig verwond, dat hij stierf, omdat het met teveel kruit gevulde kanon, waarmee hij meer schoten had gelost dan waarvoor hij opdracht had gekregen, barstte.

De generaal lag op het moment dat De Ram kwam aanvaren voor het strand van Matecalo. De Ram met aan boord de vice-admiraal was in de baai van Sint Augustijn van het eiland Madagscar achtergebleven, nadat een storm de mast en de boegspriet had verwoest. De generaal bezocht met een aantal manschappen de koning van Candy en bleef 22 dagen aan land, gedurende welke periode de beide schepen werden ververst en nagekeken. Toen de generaal terugkwam gaf hij orders om eind augustus te kunnen vertrekken, in verband waarmee beval gaf om een aantal bemanningsleden van de Ram over te laten komen nu er op zijn schip nog maar 22 bemanningsleden waren, terwijl er op de Ram nog 45 mannen waren. In de periode tot aan het vertrek werden nog twee Portugese schepen buitgemaakt, waarvan de lading deels werd verkocht en die in de avond van het vertrek in brand werden gestoken. Op Ceylon bleven twee weglopers achter, een timmerman en een constabel van de admiraal.

Het afschieten van een kanon
Om een kanon te kunnen afschieten dienen een aantal handelingen steeds in een bepaalde volgorde te verricht. Als eerste moet de wisser de loop van het kanon schoonmaken met een met een schapenvel beklede houten klos op een lange steel. Vervolgens wordt het kruit (in een kardoes, dit is een soort kussen) met de kruit- of laadlepel in de loop gelegd en met een prop afgedekt. Daarna wordt de kogel in de loop geplaatst en met een prop afgedekt, waarna de rammer of aanzetter het geheel stevig aandrukt met een zetter of rambout, dit is een houten klos op een lange steel. Nadat vervolgens met een zundgatsteker een gaatje in het kardoes is geprikt en kruit in het zundgat is aangebracht, kan het kruit ten slotte door de vuurwerker met een lont aan de lontstok tot ontsteking worden gebracht.

voc_kanon.jpg

Een VOC-kanon


Het ontploffen van een kanon
Het kanon moet vervolgens zorgvuldig worden schoongemaakt of gewist, omdat het kruit een vieze aanslag in de loop van het kanon achterlaat. Wanneer dit niet wordt verwijderd bestaat de kans dat de kogel vastloopt in de loop. De kogel kan ook vast blijven zitten wanneer de loop van het kanon niet voldoende wordt gekoeld na het lossen van een schot (dit deed men door er bijvoorbeeld natte kalfshuiden op te leggen): door de hitte van de ontbranding en de wrijving van de kogel zet de loop namelijk uit en wordt de doorgang nauwer. Als de kogel vast blijft zitten, heeft dit hetzelfde effect als een rotje: de druk kan zich alleen ontladen door het omhulsel te laten ontploffen. De kanon wordt dan zelf een bom.

De gereedschappen van een constabel
Een constabel is de scheepsofficier die belast is met de zorg over het geschut en de munitie, maar met deze term werd ook een kanonnier aangeduid. Als officier kon zijn oordeel verlangd worden door de scheepsraad, in zaken met betrekking tot de handhaving van de tucht aan boord. De hiervoor genoemde gereedschappen worden ook genoemd in een van de vijftien coupletten van het liedje dat opgenomen is in het Historisch Journael, genaamd Een ander (nieu liedeke ghemaeckt opte Oost-Indische Reyse), zulks op de wijs van “Van schoon Ionck heerken”. Dit liedje beschrijft wat een jonge matroos op zijn eerste reis op een schip meemaakt, zoals het uitvaren, het hijsen van de zeilen, het werk van de hoogbootsman, de schiemaker, de timmerman, de kok, en ook de constabel:

Een camer voor den Constabel
Isser oock teghens ghevecht
Roers, Musquetten, Rapiers en Zabels
Cardous, Lanteerns, Ansetters hecht
Ketens, Lepels, Hoorns, KokersB
Yser, Cruyt, Handtboomen, Mockers
Lont-stock hier, gheeft dan vier
In Gods namen
Volchter schaed’ men roept Barbier


Hieruit blijkt ook dat de barbier als geneesheer optrad in het geval dat iemand een ongeluk overkwam. Kanonnier Houtepen kon door de barbier echter niet meer geholpen worden. Hij zal een zeemansgraf hebben gekregen.