Achtergronden

Exorcisme


Op 16 juli 1743 schrijft Petrus Houtepen, pastoor in Princenhage, een brief aan de heer Verroten, kannunnik aan de kathedraal van Antwerpen, met het verzoek om zijn broer te helpen middels exorcisme, aangezien deze pijn had aan het hart en leed aan een bepaalde aandoening, waardoor het leek alsof er bij het ademen en het strekken van zijn armen iets brak. (SAB BA invnr 826)



Lakzegel.jpg



Volgens alinea 1673 van de Catechisme van de Katholieke Kerk spreekt men van exorcisme, wanneer de kerk in het openbaar en gezagvol in naam van Jezus Christus vraagt dat een persoon of een voorwerp beschermd mag worden tegen de greep van de Boze en aan zijn macht onttrokken zal zijn. Het exorcismegebed gaat terug op Jezus zelf die het heeft toegepast (Marcus 1,23-28). Ook de macht en de taak van de Kerk om exorcisme toe te passen zijn gebaseerd op de woorden van Jezus zelf (Marcus 3,15; 6,7-13; 16,17). In eenvoudige vorm wordt het exorcisme toegepast bij de viering van het doopsel: "Wij vragen U voor dit kind: laat de invloed van de Boze er geen vat op krijgen; maak het sterk om het kwaad te overwinnen, laat het door de kracht van Jezus' sterven en verrijzen ontkomen aan de macht van de erfzonde." Voor het exorcisme (Groot Exorcisme) draagt de priester een paarse stola (liturgie) en heeft hij wijwater, een crucifix en het rituale (gebedenboek voor priesters) bij de hand.

Een exorcisme is één van de sacramentalia in de Rooms-katholieke kerk. Tot de sacramentalia behoren naast het exorcisme onder meer ook de navolgende zegeningen:
- het gebruik van wijwater,
- zegeningen van personen (bijvoorbeeld door ouders wanneer het kind gaat slapen),
- wijding van een persoon (bijvoorbeeld van een abt (abdij) of abdis, ritus van de religieuze geloften),
- zegeningen over voorwerpen (bijvoorbeeld over de maaltijd, een huiszegening) en
- wijding van een voorwerp (bijvoorbeeld van een kerk (gebouw), een altaar (religie), of grafaarde, de zegening van de heilige oliën, de zegening van liturgisch vaatwerk of paramenten, klok (bel), buxus, enz.).

Het plechtige, zogenaamde "groot exorcisme" mag alleen door een priester en met toestemming van de bisschop worden uitgeoefend. De wijding tot exorcist was één van de wijdingen die een mannelijke geestelijke op weg naar het priesterschap ontving. In een brief van Paus Cornelius uit 252 worden voor het eerst zeven wijdingsgraden genoemd: vier lagere en drie hogere. De vier lagere wijdingen (ook wel: kleine wijdingen) zijn ostiarius (deurbewaarder/koster), lector (lezer), acoliet (misdienaar) en exorcist (bezweerder). De drie hogere wijdingen zijn subdiaken, diaken en priester. De vier lagere wijdingen zijn echter in vrijwel geheel de Rooms-katholieke Kerk sinds 1972 achterwege gelaten.

Na de wijding tot exorcist was ook de toestemming en zegen van de lokale bisschop nodig om te mogen exorciseren. Canon 1172 van het Canoniek recht bepaalt namelijk het volgende over exorcisme:
§ 1 Niemand kan op wettige wijze exorcismen over bezetenen uitspreken, tenzij hij van de plaatselijk Ordinaris hiertoe bijzonder en uitdrukkelijk verlof gekregen heeft.
§ 2 Dit verlof dient door de plaatselijk Ordinaris alleen gegeven te worden aan een priester die vroomheid, kennis en wijsheid bezit en van integere levenswandel is.

Aangezien het exorcisme bedoeld is om in naam van Christus duivels uit te drijven of om iemand te bevrijden van demonische overheersing, wordt de priester aangeraden om de reguliere of psychiatrische gezondheidszorg niet ter zijde te stellen. Hij mag zelfs geen exorcisme toepassen wanneer de arts weigert om toezicht te houden of zijn bijstand weigert. Een exorcist dient namelijk niet het werk van psychiaters en dergelijke te gaan uitvoeren.