Achtergronden

Brouwers en fiscus


De afstammelingen van Thomas Adriaens Stoffel Adriaensen (Houtepen) vormen de tak van de familie, die de destijds naast de kerk van Rijen gelegen brouwerij en herberg van 1605 tot 1844 heeft geëxploiteerd. In de notariële en rechterlijke archieven van het stadarchief Breda heb ik een aantal documenten gevonden, die opgemaakt zijn in verband met een fiscaal geschil tussen de broers Corstiaen en Bartholomeeus Thomas Houtepen enerzijds en Denijs Wouters Coolen anderzijds. Deze Denijs Wouters, ook wel Denijs Wouters Mutsaers genoemd, was in die tijd in de Baronie van Breda en de Meijerij van ’s-Hertogenbosch een van de belangrijkste pachters van de impost op bieren, wijnen en brandewijnen.

In het boek “De belastingheffing in de Meijerij van Den Bosch gedurende de Generaliteitsperiode (1648-1730)” van Dr. A.C.M. Kappelhof, uitgegeven onder nummer LXIX in de serie Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland door de stichting Stichting Zuidelijk Historisch Contact, wordt onder andere stilgestaan bij de wijze waarop de toenmalige landelijke en plaatselijke belastingen werden geïnd. Aan de hand van zijn werk, met name hoofdstuk VII dat ik hierna grotendeels letterlijk heb overgenomen, wil ik de door mij gevonden documenten inzake het geschil tussen de gebroeders Houtepen en Denijs Wouters in een breder kader plaatsen en daardoor meer inzichtelijk maken. De uitkomst van het geschil is mij overigens niet bekend, aangezien ik het betreffende procesdossier niet heb gevonden bij de schepenbank van Breda. De rechtspraak inzake de gemene middelen was naemlijk uitdrukkelijk voorbehouden aan de schepenbank van de hoofdstad van een district, terwijl de Raad van State als appelinstantie fungeerde.

Kappelhof maakt voor de inning van belastingen een onderscheid tussen een passieve overheid, waarbij de inning wordt overgelaten aan particulieren (die op een openbare veiling van de overheid voor bijvoorbeeld ƒ 8.000,00 het recht kochten om voor een bedrag van ƒ 14.000,00 aan belasting te innen) en de actieve overheid, waarbij de inning geschied door ontvangers, die daarvoor een vast salaris ontvingen. Het eerste systeem wordt “de verpachting” genoemd, het tweede systeem “de collecte”. Binnen de collecte wordt vervolgens de directe collecte (de overheid int door middel van ontvangers en collecteurs) onderscheiden van de indirecte collecte (de overheid laat de inning over aan de lagere overheden of aan groepen van particulieren). Wanneer de indirecte collecte plaatsvond door ambachtsgilden werd veelal de term “admodiatie” gebruikt en wanneer deze plaatsvond via dorps- of stadsbesturen heette dat “aanschrijving”.

Een ander onderscheid dat werd gemaakt is dat tussen “beschreven” en “onbeschreven middelen”. Bij de beschreven middelen werd iedere belastingplichtige door middel van een biljet aangeslagen. Onbeschreven middelen moesten worden voldaan bij bepaalde handelingen, zoals bij de overdracht van onroerende zaken (de overdrachtsbelasting) of bij de aankoop van bepaalde artikelen (accijnzen). Brabantse beden en verpondingen waren beschreven, de gemene middelen onbeschreven middelen.

De belangrijkste gemene middelen bestonden uit accijnzen op eerste levensbehoeften. Het “gemaal” was een accijns op voor menselijke consumptie bestemd graan, boekweit en dergelijke, “bestiaal” een accijns op voor menselijke consumptie bestemd vlees, “bier” een accijns op alle bier, “wijnen” een accijns op alle wijnen, “brandewijnen” een accijns op alle gedestilleerd, “hoorngeld” een belasting op rundvee en “bezaai” een belasting op landerijen die bezaaid waren en wel in principe zolang ze bezaaid waren. Daarnaast bestond er nog een groep belastingen, bekend onder de naam “kleine speciën”, geheven op bijvoorbeeld zout, zeep, azijn, brandhout, turf, waag en ronde maat.

De gemene middelen werden sinds 1654 in vier groepen verpacht, te weten 1: gemaal en bestiaal, 2: kleine speciën, 3: alcoholica en 4: hoorngeld en bezaai. Een speciale commissie reisde tweemaal per jaar, te weten in maart en september, naar de hoofdsteden van de districten, waarin Staats-Brabant was verdeeld: Den Bosch voor de Meijerij, Breda voor de Baronie, Bergen op Zoom voor het Markiezaat en Grave voor het land van Cuijk. De accijnzen op alcoholhoudende dranken werden in het najaar verpacht.

De verpachting vond plaats in één zitting. Er werd in het openbaar geboden en de hoogste bieder kreeg de pacht toegewezen. Door in eerste instantie op te bieden werd de inzet bepaald. Na het inzetten volgde het mijnen: een veel hoger bedrag werd bepaald, welk bedrag vervolgens met vaste bedragen werd verminderd. Degene die bij een bepaald bedrag “MIJN” riep, kreeg daarmee voor dat bedrag de pacht toegewezen. Indien er niemand mijnde, kreeg degene die bij het opbieden het hoogste bod had uitgebracht de pacht toegewezen. Tot september 1662 volgde er na het mijnen nog “het slaan”. Iedere slag leverde een bedrag op dat voor de helft voor de bieder en voor de helft voor de verpachter was.

Door de verpachting werd het risico van de belastinginning door de overheid bij de meest biedende particulier neergelegd: de overheid had zijn centen binnen, de pachter moest ze vervolgens nog binnen zien te krijgen. De winst voor de pachter bestond in het verschil tussen zijn bod en het bedrag wat hij van de overheid maximaal aan belastingen kan innen. De pachter had er dus belang bij om zijn winst te optimaliseren door bijvoorbeeld met andere bieders afspraken te maken, waardoor de pachtsom werd gedrukt; de andere bieders kregen dan bijvoorbeeld een bepaald bedrag of percentage van het hoogste bod of er werd na de officiële veiling onderling een eigen veiling georganiseerd. Ook werd het gebied wel over de verschillende gegadigden verdeeld. Dit werden “complotterijen” genoemd. Later kwam het voor dat de lagere overheid de beroepspachters buitenspel zette door zelf “in te pachten” en vervolgens door middel van aanschrijvingen de belasting (indirect) te collecteren.

De pachter moest terstond na de verpachting twee borgen stellen die met al hun goederen aansprakelijk waren voor de verschuldigde pachtsom. De pachter diende zelf te registreren, wat veraccijnsd werd en welke belastbare goederen naar elders vervoerd werden. Indien zijn district tamelijk groot was of de pachter daarbuiten woonde, moest hij collecteurs in dienst nemen die hun standplaats in een van de dorpen, bij voorkeur het grootste van het district, hadden. Voor de inning van de zoutaccijns bijvoorbeeld moest de pachter of zijn collecteur tweemaal per jaar tenminste zes dagen achtereen zitting houden in elk dorp met een parochiekerk in zijn district. In kleine, weinig lucratieve dorpen was vaak geen collecteur te vinden. In 1695 moest de Raad van State verordenen, dat de pachters collecteurs moesten aanstellen en dat ze bekend moesten maken, wie dat waren en waar ze zitting hielden. Bij afwezigheid van de collecteurs moest men aangifte doen bij de koster of de voorlezer die ook de biljetten mocht afgeven. In het boek van Kappelhof wordt niet verder uitgewerkt wat de functie van deze biljetten was.

Uit een op 1 mei 1682 voor Cornelis van Eijck, notaris te Breda, verleden akte blijkt echter dat deze biljetten nodig waren om bier te kunnen kopen. Zo verklaarde Adriaen Janssen Vervoort dat hij “verscheijde accijnsbilletten gehaelt heeft bij Huijbrecht Cornelis Huijben, den collecteur van voorS Denijs van voorS impost over den Rijen, om daer mede bier te halen bij den brouwers Houtepen aldaer, doch dat den selver Houtepen telckens geweijgert heeft het bier op de selven biljetten te laten volgens seggende dat het sijn reden hadde dat hij sulcks niet wilde doen, sulks hij comparant genootsaeckt geweest is sijn bier alhier binnen Breda te halen tot voorkominge van moeijlickheden, het welcke hij deponent dan oock telckens aen den voorS collecteur Huijbrecht Corns Huijben verclaert aengegeven te hebben” (SAB NA Breda N336 f12v). Opvallend is dat deze Adriaen Janssen Vervoort getrouwd was met een zus van de beide brouwers. Ook de genoemde Huijbrecht Cornelis Huijben was aangetrouwde familie. Zijn zus dan wel dochter (dit is mij nog onduidelijk) was gehuwd met een neef van deze brouwers. Huijbrecht was overigens niet alleen collecteur van de accijnzen op alcoholica maar ook herbergier van de uitspanning “De Vijff Eijck”. Kappelhof suggereert dat er wel misbruik werd gemaakt van deze combinatie van twee functies door de mensen te dwingen wat te verteren als ze kwamen betalen.

In een eveneens op 1 mei 1682 voor Cornelis van Eijck, notaris te Breda, verleden akte verklaarden Jacob Peeter Bongers, ongeveer 46 jaar oud, en Adriaen Janssen Vervoort, ongeveer 53 jaar oud, beiden wonende in Rijen, nadat zij op verzoek van de kinderen en erfgenamen van wijlen Denijs Wouters waren gedagvaart door “de Roeijdrager” Zacharias de Poot “om den waerheijt getuigenisse te geven”, dat “sij op sondagh den 8 october 1679 Goris Jan Thielen, voster ten Rijen voornoemt, voor de kerk ten Rijen ter gewoonlijcken plaetse en uere hebben hooren publiceren, dat deze voorN Denijs Wouters pachter was van der impost van 's Lantswegen van de bieren, wijnen en brandewijnen over Ghilse ende den Rijen voornoemd, ingegaen primo october 1679 ende dat hij, Denijs, tot sijnen collecteur tot Ghils hadde gestelt Matheus Jacob Geerits, enz, Ten Rijen Huijbrecht Corns Huijben, woonenden in den Vijf Eijck, ende dat sij, deponenten, den voorN voster, nadat deselve publicatie mondelijck gedaan hadde aen den omstanders hebben horen seggen, Vrienden, ik heb noch geen segel, maer ik maeck dit bekend, opdat eenieder sich daerna magh reguleren” (SAB NA Breda N336 f11v).

In verband met het geschil werd ook Sr Adriaan Cornelis Fransen Leenderts, schepen van Gilze en Rijen, gedagvaard op verzoek van Denys Wouters. In een op 7 maart 1680 verleden notariele akte verklaarde hij “dat seeckere Reekeninge (-) is eenen copie van die bij hem, deponent, overgegeven aan Denys Wouters van het gebrouwde en uitgeleverde bieren van Corstiaen ende Bartel Thomas Houtepen, brouwers ten Rijen, is deugdelijk ende oprecht ende dat de originele aertse leninghe daervan bij hem, deponent, is gehouden ten versoecke van de voorn. Corstiaen en de Barthel Thomas Houtepen ende dat de voors. reecke. tegens voorN aertse leeninge gecollatonieerd is ende daarmee accordeert en de uit sijns deponents boeck getrokken is” (SAB NA Breda N344 f83). Wat hier verklaard wordt begrijp ik niet, omdat er enerzijds wordt gesproken over rekening en anderzijds over lening. Het lijkt erop dat de schepen nog een rekening open had staan bij de beide brouwers, die in verband met deze schuld aan de schepen een lening hebben verstrekt: drinken op krediet.

Na het ingaan van de pacht hadden de pachters het recht te gaan peilen. De oude en de nieuwe pachter gingen dan in het gezelschap van enige getuigen (bijvoorbeeld schepenen) inspecteren, hoeveel er van het belastbare artikel bij particulieren en handelaren in voorraad was en of daarvoor accijns was betaald. Soms, bijvoorbeeld bij de bieraccijns, mocht de pachter ook tussentijds gaan peilen om te controleren, of er niet was gefraudeerd. De peiling bij het begin van de pacht hing samen met het veel voorkomend misbruik, dat de bezitter van het aangetroffen artikel beweerde al accijns betaald te hebben aan de oude pachter. Deze speelde het spelletje mee door dit te bevestigen. In werkelijkheid was er niets of te weinig betaald. De pachters deden dat om in de gunst van de bevolking en vooral van de lokale regenten te komen. De nieuwe pachter had dan grote moeite om weer op het oorspronkelijke niveau te komen. Men noemde dit het slingeren van de pacht. De Raad van State trachtte deze truc tegen te gaan door te bepalen dat de belastingplichtige bij het ingaan van de nieuwe pacht aangifte moest doen bij de nieuwe pachter en dan accijns moest betalen voor alles wat hij meer dan een bepaalde hoeveelheid in huis had. Het eventueel te veel betaalde moest hij dan maar terugvorderen van de oude pachter. Bij die gelegenheid werd ook nog eens gesteld, dat de pachter in de huizen mocht peilen wanneer hij dat wenste. Als de pachter van de bieraccijns vermoedde, dat er in het geheim meer was gebrouwen dan vooraf was opgegeven, mocht hij desgewenst ‘s nachts met een deurwaarder komen inspecteren. Wie de toegang weigerde, was strafbaar. De frequente inspectiebezoeken door de pachters waren bij uitstek gelegenheden, waarop incidenten plaatsvonden Wie zich tegen de peiling verzette, liep een boete op. Vooral in de sector van de alcoholica speelde het peilen een belangrijke rol. Brouwers en tappers weigerden vaak te laten peilen of vertraagden dit om ondertussen bedrog te kunnen plegen.

Op 3 oktober 1664 laten Denijs Wouters Coolen en Cornelis Goris Buijlen “pachters van den selven impost” een notariele akte opmaken “vant peijl gehaelt van bieren en wijnen over Gils, Teteringen ende Bavel”, zulks ten overstaan van Jacob van Winteraet, deurwaarder van ‘s lands middelen en Henricus Buijsen, notaris te Breda (SAB NA Breda N264 a52). Van de peilingen in de dorpen Gilze en Rijen hebben zij het volgende aangetekend:
Gils
Huijbr(echt) Corn(elis) Huijben, een half vat vol, 1 rooden haen op een ton 19 ½ duijm, nier op een vaetken wijn van 20 potten half vol, noch een vaetken wijn van 6 potten omtrent half voll;

Ten Rijen
Thomas Houtepen, 12 halve vaten vol overloopende bier, met 5 kannekens overloopende oock vol bier, met een halff vat vol out bier, verclaert geen bier meer te hebben, in een kuijp 5 duijm bier omtrent 1 ½ ton bier groot;
Jan Dielen (=Thielen) op een half vat rooden haen 14 duijm 3 quart;

Nerven onder Gils
Geerit Janssen, vijer halve vaten vol, noch een half vat 6 duijm, noch een kanneken bier, verclaert geen bier meer te hebben, en niet meer te willen tappen;
Bastiaen Wijnants, 2 kannekens met een half vat vol, noch een half vat vol, verclaert geen bier meer te hebben, 2 halve vaten steerten;

Gilse
P(ete)r Nijssen, roode haen op een half vat 6 duijm, een half vat cleijn bier over op 6 ½ duijmen, in een blauw kan van 8 potten, 7 duijm wijn als vaergek?, tot Breda gecocht, verclaert niet meer van bier off wijn te hebben;
Bastiaen van Corput, een half vat vol roodeclock, noch een halff vat daerop 4 duijm een qter;
Matthijs Jacob Geerits, 2 halve vaten vol dobbelen sleutel, 2 quaden steerten, verclaert uijtte tap te scheijden;
Vorster Pow(els) Lips, een ton vol rooden haen, op een ander ton 4 duijm, noch een quaeden steert, noch 2 halve vaten roode haen, verclaert geen bier meer te hebben, deviant;
Jan Geerit Brocken, verclaert van nu aff aen uitte tap te scheijden, roode clock een half vat vol, op een half ton roode clock 19 duijm;
Jan van Biestraten, 3 halve vaten ende een kanneken vol, noch een half vat 11 duijm, met een half vat steert;
Secretaris Van Asten, 2 tonnen vol, met 3 halve vaeten, 2 halve vaten crach bier;


In dit proces-verbaal worden een aantal brouwerijen uit Breda genoemd, te weten De Roode Clock, De Rooden Haen en De Dobbelen Sleutel. Dit was belangrijk om te noteren omdat dan bij de brouwerij kon worden gecontroleerd of deze het juiste bedrag aan accijns had afgedragen. Quaeden steert en crach bier lijken mij biersoorten. Ook is aardig om te zien wie op dat moment herbergiers of tappers in deze dorpen waren.

De genoemde Thomas is de vader van de Corstiaen en Bartholomeeus die het aan de stok kregen met Denijs Wouters. De voornaamste bron van inkomsten van dit gezin was het brouwen en verkopen van bier. Vader Thomas was aanvankelijk brouwer en tapper, maar deze activiteiten werden later gesplitst: Corstiaen en Bartel werden brouwer, terwijl de andere zoon Adriaen zijn vader assisteerde bij het tappen. Zoon Jan, die in andere stukken ook wel Johan en Jannes werd genoemd, vertrok naar Tilburg alwaar hij op de Heuvel een brouwerij en tapperij had. Dochter Anthonetta trouwde met Jan Geertsen Casteleijns en verhuisde naar Turnhout, alwaar Jan pachter werd van de Loockerenmolen. Dochter Jenneken was gehuwd met Adriaen Jansen Vervoort, die echter vroeg overleed, terwijl dochter Maria eerst gehuwd was met Jacob Peeters Vranken en voor de tweede maal met Huibrecht Wouter Jan Lemmens van Dongen.

Bij de meeste gemene middelen werd het systeem van “heffing bij de uitslag” toegepast. De kleinhandelaar betaalde dan de accijns, wanneer hij zijn waren betrok van de producent of de groothandelaar en berekende deze door in de verkoopprijs. In de dorpen echter leverde de producent, bijvoorbeeld de brouwer, meestal rechtstreeks aan de consument. De bedoeling was, dat de brouwer dan de accijns betaalde en deze doorberekende. Dit systeem was natuurlijk gevoelig voor fraude, speciaal wanneer de goederen van de ene naar de andere plaats werden vervoerd. Men verzond dan een partij niet veraccijnsde goederen naar een andere stad of een ander dorp, alwaar bij aankomst werd beweerd, dat reeds accijns was betaald.
Een voorbeeld hiervan betreft een op 6 april 1682 door Peeter Beeris, openbaar notaris te Breda, opgemaakte verklaring onder ede van sr Adriaen Vroet en Carel van Renesse, borgers van Breda. Adriaen Vroet was op dat moment reeds vijfentwintig jaar collecteur op de impost van accijnsen soo van 's landts als stadts genoegen te Breda. Carel van Renesse verklaarde deze functie tien jaar uitgeoefend te hebben. Op verzoek van de brouwers Houtepen verklaarden zij, dat “soo wanneer de knechten ofte meijschens van de brouwers sijn haelende brieffens van (henne) [marge:knech¬ten en meijsen] bieren, die sij sijn sendende buijten dese stadt, dat sij knechten en meijsens alsdan niet juiste ofte preciese en seggen de rechte namen voor wien de bieren uijtgevoert worden, maar dat sij alsdan diekwils maer en noemen eenen naem die hen in de memorie is komende”. De administratie van de brouwer werd dus volgens hen onbetrouwbaar gemaakt door de onjuiste verklaringen van hun personeel. Als iemand anders werd genoemd dan degene aan wie het bier was geleverd en door wie de accijns was betaald, zou die laatste bij een controle geen bewijs hebben dat hij de accijns had betaald. Als collecteur werd je dan uiteraard op het verkeerde been gezet, hetgeen zij ook bevestigden door te stellen ”dat hen deponenten verscheijde reijsen 't selve is te vooren gekomen, ende dat sij daer uijt oock diversche abuijsen souden hebben” (SAB NA Breda N295 f18).

Om dergelijke vormen van fraude zo veel mogelijk in te dammen, werd het vervoer omgeven door een hele papierwinkel en talrijke beperkende bepalingen. Het vervoer mocht alleen geschieden met een biljet afgegeven door de pachter van de plaats van vertrek, dat in de plaats van aankomst moest worden afgegeven aan de pachter aldaar. Soms moest dit geleidebiljet ook getoond worden aan de pachter van de plaats, waar werd overnacht of waar een tussenstop werd gemaakt. De vele controles zetten de deur wijd open voor willekeur van de commiezen en de collecteurs. Over dit probleem is reeds eerder in “De Mulder” een artikel geschreven. Ook daar was Corstiaen Houtepen bij betrokken. Wellicht was de in beslag genomen lading gerst bedoeld voor de brouwerij van Houtepen.

Door deze uitgebreide reglementering middels plakkaten werd de vrijheid van bedrijf beperkt. De stedelijke handel en nijverheid werden daarbij bevoordeeld ten koste van die van het platteland, aangezien deze in de stad deze namelijk beter te controleren was! Om de kans op fraude te verkleinen werden de sectoren groot- en kleinhandel zo veel mogelijk van elkaar gescheiden. In 1687 wilde men zelfs alle brouwerijen op het platteland laten afbreken, maar na protesten van lokale besturen vaardigde de Raad van State het zogenaamde Temperament uit (RANB RvS resolutie 10-06-1687). Een andere beperking was, dat binnen een straal van 1,5 uur gaans rondom de besloten steden alleen voor eigen consumptie mocht worden gebrouwen. Combinaties van beroepen werden verboden, zoals dat van brouwer en tapper.

Veel van de door de overheid opgelegde bepalingen waren gericht tegen het composeren. Composities in de fiscale sfeer zijn geldsommen betaald aan de officier of aan de pachter, waarvoor dan geen of minder accijns betaald hoeft te worden. Het composeren leidt bij de officieren tot “conniveren”, dat wil zeggen het door de vingers zien. Het composeren werd herhaaldelijk verboden, maar bleek onuitroeibaar. Zo werd ook een kleinzoon van Adriaen Thomas Houtepen geconfronteerd met een dergelijke schikking. Deze Jan Thomas Houtepen ging in 1737 met zijn echtgenote in Bavel woonde, nadat zijn vader daar op 15 februari 1737 een woning met een brouwerij op de Eijckbergh had gekocht. Veel geluk als huisbrouwer en tapper heeft hij daar echter niet gehad, aangezien een aantal van zijn kinderen daar overleed en een leuke aankoop werd gedwarsboomd door een naastende buurman. Uiteindelijk werd het huis in 1743 verkocht en vestigde hij zich weer met zijn gezin in Rijen. In 1739 legde Adriaan van Ballaart, “pagter van den impost op de bieren etc over den dorpe Ginneken en Bavel, Baronie van Breda, voor den termijn ingegaan primo October 1738 en expirerende ultimo September 1739” voor Jacobus Johannes van de Laar, notaris te Breda, op verzoek van Willem Moonen, Johannes van der Schoot en Jan Thomas Houtepen, “huijsbrouwers en tappers, woonende tot Ginneken en Bavel” de volgende verklaring af: “dat hij met de requiranten is gecomposeert (doorgehaald: geaccordeert) over den voorne termijn (doorgehaald: soo) wegens de consumptie van de bieren (doorgehaald: in haere huijshoudinghe als wegens hunne brouwe enden neeringe) als vanouts, namentlijck met den eersten requirant voor eene somma van vijffensestich gls, met den tweede requirant voor eene somma van sestigh guldens en met den derden requirant voor eenen somma van dartich guldens” (SAB NA Breda N839a a53).

Ondanks alles bleef de brouwerij floreren totdat uiteindelijk de laatste telg van deze tak kinderloos bleef. Christoffel Houtepen verkocht de brouwerij in 1844 aan Jan Baptist Brouwers en overleed ten slotte in 1868 te Rijen.

Gezicht op Rijen.jpg

Gezicht op Rijen. Het huis midden op de prent is het huis met brouwerij dat in 1605 door Adrianus Christophorus Houtepen in eigendom werd verkregen en zes generaties in de familie bleef.